Innoveren (5): bondgenoten inzetten

In de vorige aflevering kwam het verschijnsel bondgenoten ter sprake: wat het verschil is met medestanders , waar je ze vandaan haalt, dat we op moeten passen voor de valkuil van politiek bedrijven. Deze keer gaat het over rollen die bondgenoten kunnen spelen en aansluitend over het instellen van werkgroepen. Is het instellen van een werkgroep gelijk aan het over de schutting gooien van je probleem, of een goede vorm van participatief management?
Visie uitdragen
Misschien wel de belangrijkste rol die je bondgenoten kunnen hebben is het uitdragen van je visie. Dat gaat niet lukken als het jouw visie blijft. Je moet er dus voor zorgen dat het ook hun visie wordt. Een van de manieren om dat te bereiken heb ik
hier beschreven, maar er zijn er meer. Duidelijkheid is bijvoorbeeld belangrijk. Een met veel omhaal van woorden geformuleerde visie blijft niet makkelijk hangen. Hou je visie kort en concreet. Een visie moet een “verbeelding” zijn. Minister president Den Uyl had een duidelijke visie: iedere Nederlander een auto. Erg concreet. Dat zag je voor je. Niet in al zijn consequenties, dat is inmiddels gebleken, maar een bijna tastbaar beeld was het wel. En er zat een verhaal achter. “De welvaart neemt toe en daar moet iedere Nederlander van profiteren. Ook degenen die het niet zo breed hebben. We hebben het doel pas bereikt als iedere Nederlander een auto heeft. Ook u.”

Ernaar leven
Hoe kunnen mensen hun visie uitdragen? Sommige mensen hebben de gave van het woord en van de “verbeelding”. Dat helpt enorm, maar praatjes vullen geen gaatjes. De belangrijkste manier is naar je visie te leven. Wie naar zijn eigen visie leeft kan er met volle overtuiging over praten. Hier ligt natuurlijk een taak voor de leiding en bondgenoten kunnen helpen door ook zo met de visie om te gaan. Als iemand tegen een collega zegt: “Ik heb een een enquête onder mijn leerlingen afgenomen. Morgen bespreek ik de resultaten met de klas. Ik ben benieuwd”, dan maakt dat meer indruk dan wanneer hij verkondigt dat hij vindt dat iedereen enquêtes zou moeten gaan afnemen. Stimuleer je bondgenoten om de visie in de praktijk te brengen. Zorg dat ze dat van elkaar weten en met elkaar over hun ervaringen kunnen praten. Praat er zelf ook over met hen. “Krijg je respons?”, “hoe reageren je collega’s erop?”.

Organisatorische groepen
Bondgenoten kunnen individuen beïnvloeden, maar ook de organisatorische groep waar ze toe behoren en misschien is dat nog wel effectiever. Als iemand bijvoorbeeld in zijn mentorgroep vertelt over zijn enquête, bestaat de kans dat anderen hem bijvallen (“Ik doe dat ook regelmatig”) of geïnteresseerd raken (“Wat voor vragen stel je dan?” ). En de criticasters krijgen (hopelijk) weerwoord van groepsgenoten. In de groep om hulp vragen kan bevordert de betrokkenheid van anderen . “Ik weet niet zeker of ik de juiste conclusies getrokken heb uit de resultaten. Wie wil er eens kritisch naar kijken?” De meeste mensen willen graag helpen.

Pilot voorbereiden
Misschien kunnen je bondgenoten een rol spelen in het van de grond krijgen van een pilot. Een pilot is - mits goed ondersteund door de leiding - een mooie investering in motivatie en innovatie.

Voorzitterschap
Als je in het stadium bent waarin je met een of meer werkgroepen aan dit onderwerp wilt werken, kunnen bondgenoten nuttig werk doen als voorzitter. Geef ze zo nodig een training in de kunst van het voorzitten. Zo’n training is misschien überhaupt een goed idee op school. Er is vast belangstelling voor, ook bij mensen van wie je het niet verwacht. Nuttig neveneffect: hoe meer mensen weten hoe je een vergadering moet voorzitten, des te groter is de kans dat een voorzitter tijdens een vergadering feedback krijgt over zijn optreden. En dat is weer goed voor de kwaliteit van de vergaderingen op school.

Werkgroepen: eindeloos en oeverloos?
Over werkgroepen wordt verschillend gedacht. Ik ontmoet er nogal eens weerstand tegen, of zelfs afkeer van. “Kost veel te veel tijd”, “daar krijg ik niemand warm voor”, “alleen maar geklets in de ruimte”, “komt niets uit”. Zowel bij de leiding als onder het personeel is dit soort geluiden te horen. Helaas spreekt hier meestal de ervaring. Maar al te vaak worden werkgroepen door de leiding ingesteld om van een probleem af te zijn. “Laat hen dat maar uitzoeken”. Dat is bijna een garantie voor mislukking. Zonder inspiratie en sturing bloedt een werkgroep vanzelf dood en het resultaat is nul, of een nutteloos product waar niets mee gedaan wordt. Bij een volgende gelegenheid wordt het daardoor lastiger om een werkgroep samen te stellen, want niemand heeft meer zin. Dan neemt men zijn toevlucht tot mensen “die nog wat taakruimte overhebben”. Die zijn vaak om te beginnen al niet gemotiveerd om in een werkgroep zitting te nemen en zo gaat het van kwaad tot erger.

Toch kan een goed functionerende werkgroep een dankbare vorm van participatief management zijn. Mee kunnen praten over de eigen werkomstandigheden is een belangrijke motiverende factor. Wel moeten de randvoorwaarden duidelijk zijn en de leiding moet bereid zijn er veel werk in te steken. In de volgende aflevering meer over werkgroepen en wat daarbij komt kijken.

blog comments powered by Disqus