Onderwijs, daar gaan de bewindslieden niet over

In artikel 23 van onze grondwet staat: "Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering." Onderwijs moet er zijn, voor iedereen toegankelijk, van goede kwaliteit en met een inhoud die overeenstemt met de eisen van de maatschappij. En wat gebeurt er? Miljoenen aan onderwijsgeld verdwijnen in stenen, dienstauto’s en zakken. Studenten klagen dat ze geen les krijgen. De bestuurder graait en het toezicht faalt. Dat is het beeld dat is ontstaan. Er moet iets gebeuren. De Kamer stelt vragen. Het antwoord van de bewindslieden is: "Daar ga ik niet over". En dat klopt nog ook. Gênant, natuurlijk, gezien de grondwet. De regering is verantwoordelijk, maar de bewindslieden gaan er niet over. Wat is er fout gegaan?

Uit handen gegeven
Het grootste probleem met de aansturing van het onderwijs is dat de overheid in de loop der jaren haar grondwettelijke verantwoordelijkheid voor een groot deel uit handen gegeven heeft. In de eerste plaats is de uitvoering van het onderwijs overgedragen aan autonome besturen waar de regering niets over te zeggen heeft. Bestuurders wijzen graag en bij herhaling op deze autonomie. Inmiddels is echter gebleken dat het niet iedere bestuurder gegeven is om op adequate wijze zorg te dragen voor de uitvoering van het onderwijs. Aangezien besturen nu eenmaal autonoom zijn, kunnen de bewindslieden weinig anders zeggen dan: "Daar ga ik niet over".

Ook op het terrein van de kwaliteitscontrole heeft de overheid zichzelf gekortwiekt. De normale gang van zaken is dat de onderwijsinspectie namens de regering de kwaliteit van het onderwijs controleert. Dat geldt echter niet voor de kwaliteit van de besturen. Om te controleren of besturen hun werk goed doen, zijn raden van toezicht in het leven geroepen. Vreemd eigenlijk, dat de onderwijsinspectie niet gewoon dat werk doet.

Wet deugt niet
Dat de overheid haar eigen verantwoordelijkheden is gaan afschuiven is één ding. Dat ze er daarbij een potje van gemaakt heeft, maakt het alleen maar erger. De wet op het toezicht maakt het de toezichthouders namelijk wel erg moeilijk hun werk goed te doen. Enerzijds moeten ze "deugdelijk en onafhankelijk" toezicht houden, anderzijds zijn ze verplicht "het bestuur met raad terzijde te staan". Hoe kunnen mensen "deugdelijk en onafhankelijk" toezicht houden op zaken die mede door hun eigen advies tot stand zijn gekomen? Een slager die zijn eigen vlees keurt? Dat snapt niemand.

Taakopvatting gemiddelde toezichthouder contraproductief
Wie denkt, dat dit alles in de dagelijkse praktijk best mee zal vallen, komt bedrogen uit. Raden van toezicht zeggen wel dat ze hun controlerende taak de belangrijkste vinden, maar het grootste deel van hun tijd besteden ze aan het gevraagd en ongevraagd adviseren, het "met raad terzijde staan", van bestuurders. Dit blijkt uit het onderzoek "Toezicht binnen onderwijsinstellingen" van Trudy Blokdijk en Rienk Goodijk (TiasNimbas 2012)

Naast controleren en raad geven hebben raden van toezicht nog een derde taak, die van werkgever. Zij gaan over aanstelling, schorsing en ontslag van de bestuurders. Zij beschikken, net als iedere werkgever, over een heel arsenaal aan middelen om te bevorderen dat de werknemer zijn werk goed doet: functioneringsgesprekken, beoordelingsgesprekken, verbeterplannen, scholing etc. En als dit allemaal niet helpt, kunnen ze hem gewoon de laan uitsturen. Zonder vertrekpremie. Moeilijk is het niet. Je moet als werkgever natuurlijk wel je eigen werk goed doen en de middelen die je ten dienste staan gebruiken. En wat blijkt uit het onderzoek van Blokdijk en Goodijk? Het werkgeverschap wordt door toezichthouders als het minst belangrijke onderdeel van hun taak gezien.

Raden van toezicht niet aan te pakken
En als een raad van toezicht zijn werk niet goed doet? Kunnen we die dan ook ontslaan? Hebben raden van toezicht eigenlijk een werkgever? In het hoger onderwijs wel. Daar kan de minister een raad van toezicht naar huis sturen. In de rest van het onderwijs is de raad van toezicht eigen baas. Het middelbaar beroepsonderwijs formuleert het letterlijk als volgt: "De Raad van Toezicht benoemt, schorst en ontslaat de leden van de Raad van Toezicht." Is het niet vreemd dat de minister die bevoegdheid niet in het hele onderwijs heeft? Dat zou ook helpen voorkomen dat een toezichthouder die het ergens heeft laten sloffen op een andere plaats weer aan de slag kan.

Verantwoordelijkheid terug naar de regering
Terug naar de grondwet. De interpretatie die de regering aan de grondwet geeft, komt eigenlijk op het volgende neer: "Beste besturen, hier is geld; het is voor onderwijs. Doe er iets moois mee, maar jullie moeten je eigen functioneren wel laten controleren, hoor! Zie maar dat je een raad van toezicht bij elkaar krijgt."

Wordt het niet eens tijd voor een fundamentele herbezinning? Wordt het niet eens tijd dat de regering zelf haar verantwoordelijkheid neemt? Dat alle raden van toezicht in het onderwijs door de minister aangesteld, geschorst en ontslagen worden? Of, misschien nog beter, dat ze formeel omgevormd worden tot wat ze nu in de praktijk al regelmatig zijn: raden van advies? Onbezoldigd natuurlijk; dat scheelt ook weer. Wordt het niet eens tijd dat de onderwijsinspectie namens de minister het functioneren van de besturen controleert? Dat de autonomie van de besturen flink beperkt wordt - om te beginnen met hun financiële autonomie? Geld voor onderwijs hoort niet in stenen, auto's en zakken. Laten we daar dan ook geen gelegenheid voor geven.

blog comments powered by Disqus